Titel onderzoek: Rouw bij gelovige ouders; Over Doop, dood en Dordt
Auteur: Dr. Frank Visscher
Onderzoeker: Dr. Frank Visscher
In opdracht van: Voor de afronding van de Masteropleiding Herbronning Gereformeerde Theologie (HGT) Theologische Universiteit Apeldoorn (TUA)
Begeleider: prof. dr. A. de Muynck
Hoe beïnvloedt het overlijden van een kind het Godsbeeld van ouders binnen de gereformeerde gezindte? En welke rol speelt hun geloof in het eeuwige leven in hun rouwverwerking? Deze vragen stonden centraal in de masterstudie van (kinder)neuroloog Frank Visscher.
Doel van het onderzoek:
Inzicht verkrijgen in het rouwproces van ouders uit de gereformeerde gezindte die een kind hebben verloren, met bijzondere aandacht voor de wisselwerking tussen rouwverwerking, het Godsbeeld en overtuigingen over het eeuwige leven.
De onderzoeksvraag van de heer Visscher luidt:
Hoe interfereert de rouwverwerking met het Godsbeeld en gedachten over het eeuwige leven bij gereformeerde ouders van een overleden kind?
Over Dr. Frank Visscher:
Dr. Frank Visscher is een ervaren neuroloog met een bewezen staat van dienst in de ziekenhuis- en gezondheidszorgsector. Hij is vaardig in EEG, psychiatrie, gezondheidszorg, klinisch onderzoek en medische educatie. Sterke professional in de gezondheidszorg met een artsendiploma (MD) van de Universiteit Utrecht, gespecialiseerd in geneeskunde.
Samenvatting van het onderzoek:
Deze masterthesis onderzoekt hoe gelovige ouders uit de gereformeerde gezindte het verlies van een kind verwerken en welke rol hun geloof daarbij speelt. Het verlies van een kind wordt beschouwd als een van de meest ingrijpende vormen van rouw, en eerdere literatuur laat zien dat dit verlies gepaard kan gaan met ernstige psychische en existentiële spanningen. Binnen de gereformeerde traditie komen daar specifieke theologische vragen bij, zoals die rond Gods voorzienigheid, de theodicee en de heilsbestemming van jonggestorven kinderen.
Het onderzoek is kwalitatief van aard en bestaat uit elf semigestructureerde interviews met ouders die een kind hebben verloren en die ten tijde van het verlies actief lid waren van een kerk binnen de gereformeerde gezindte (zoals CGK, GerGem, HHK of PKN). De interviews zijn geanalyseerd aan de hand van bestaande theoretische modellen, met name:
-
de fasentheorie van Kübler-Ross,
-
de religieuze copingstijlen van Pargament,
-
en aanvullende inductieve analyse van geloofsinhoudelijke thema’s.
De resultaten laten zien dat ouders verschillende gemoedstoestanden herkennen die aansluiten bij Kübler-Ross, zoals ontkenning, boosheid en uiteindelijk aanvaarding, al blijken deze niet lineair of uniform te verlopen. Opvallend is dat boosheid zich zelden rechtstreeks op God richt, maar vaker op kerkelijke ambtsdragers of instituties, met name wanneer onzekerheid bestaat over de heilsbestemming van het overleden kind.
Wat betreft coping blijkt vooral een afhankelijk-passieve copingstijl dominant, waarbij ouders hun rouw en vragen nadrukkelijk bij God neerleggen. Deze stijl blijkt samen te hangen met het uiteindelijk kunnen aanvaarden van het verlies. In geen van de onderzochte gevallen is sprake van persisterende rouwstoornis.
Een belangrijk en onverwacht resultaat is de centrale rol van theologische overtuigingen over de doop en de Dordtse Leerregels (met name I,17). Voor sommige ouders vormen deze leerstukken een diepe bron van troost en zekerheid over het eeuwige leven van hun kind, terwijl zij bij anderen juist twijfel, verwarring en verdriet oproepen, mede afhankelijk van kerkelijke interpretaties en pastorale begeleiding. Het zoeken naar ‘bevestigingen’ (bijzondere ervaringen of teksten) speelt hierbij een belangrijke rol.
De scriptie concludeert dat geloof voor deze ouders overwegend een beschermende factor is in het rouwproces, maar dat theologische ambiguïteit en pastorale terughoudendheid ook belastend kunnen werken. De auteur pleit voor meer pastorale sensitiviteit, theologische duidelijkheid en ruimte voor rouw binnen kerkelijke gemeenschappen.
